zaterdag 16 januari 2010

Media zijn de facto partij in het Arabisch-Israelisch conflict

 
Wim Kortenoeven van het CIDI heeft een studie geschreven over de rol van de media in het Israelisch-Palestijns conflict. De studie is een stuk algemener van aard dan mijn onderzoek naar de berichtgeving van NRC Handelsblad of het onderzoek van WAAR en IF naar de NOS, en gaat ook over een langere periode. Eigenlijk is het meer een beschrijving van de problemen waar dit conflict journalisten voor stelt en de valkuilen, met een paar voorbeelden van wat er misging en waarom. Een citaat:
 
"De Joodse staat Israel ligt bijna letterlijk in het centrum van de wereld. Het land verbindt drie continenten: Azië, Afrika en Europa, en is heilig voor de drie monotheïstische wereldgodsdiensten. Deze bijzonderheden hebben zonder twijfel bijgedragen aan de grote internationale belangstelling voor het land en voor het conflict waarvan het de spil is. Die belangstelling vertaalt zich onder andere in een forse populatie buitenlandse correspondenten. De in Tel Aviv gevestigde Foreign Press Association heeft 460 leden3 waaronder dertien uit Nederland. In de rest van het Midden-Oosten zijn dertig Nederlandse correspondenten werkzaam. De relatieve oververtegenwoordiging van Nederlandse correspondenten in Israel blijkt ook uit het volgende rekensommetje: er zijn wereldwijd, in 191 landen, 241 Nederlandse correspondenten actief, gemiddeld 1,3 per land. Een deel van de in Israel gestationeerde Nederlanders bericht overigens ook over andere landen in de regio.

Het "Arabisch-Israelisch" conflict biedt alle ingrediënten voor boeiende televisie en meeslepende krantenverhalen: emoties, religie, geschiedenis, oorlog, geheime acties, haat, liefde, opoffering, heldendom, cowboys and indians, good guys and bad guys (afhankelijk van de invalshoek…); drama, drama en nog eens drama. En dankzij de media kunnen wij het allemaal op de eerste rij meebeleven – veilig op afstand maar toch lekker dichtbij. De Israelische cineast Nissim Mossek typeerde het leven van de Israelische actoren in dat drama in 1988 in de titel „Never a dull moment‟. En zo is het. Maar al die in Israel gestationeerde journalisten moeten wel hun brood verdienen en hun redacties tevreden stellen, dus: stukken en reportages maken in een voortdurende concurrentieslag. Bij dat enorme drama-aanbod wordt wel eens vergeten dat er ook een Israel beyond the conflict bestaat, waar mensen van allerlei pluimage samen wonen en werken in wat wellicht de meest multi-culturele, dynamische en fascinerende samenleving ter wereld is. En ook de Palestijnse gebieden en de omliggende Arabische staten hebben veel meer te bieden dan alleen kommer en kwel – maar de markt is daarin niet erg geïnteresseerd. In zijn boek Het zijn net mensen gaat Joris Luyendijk uitgebreid in op de frustraties die dat oplevert voor correspondenten als hijzelf."

Hij gaat op een paar concrete gebeurtenissen dieper in, zoals de gevechten bij Jenin en de Tweede Libanon Oorlog. Een van de problemen volgens hem is dat bijna alle cameramensen in het Midden-Oosten Arabisch zijn. Westerse fotografen zouden zich niet in de conflictgebieden aldaar willen begeven. Hij gaat daarbij in op voorbeelden van fotografen die met de beelden knoeiden, zoals bij de Al Dura affaire en ook tijdens de Tweede Libanon Oorlog, waar extra rookwolken werden geproduceerd en hetzelfde Palestijnse slachtoffer op verschillende plaatsen als steeds nieuw slachtoffer werd gefotografeerd. Er zijn meer voorbeelden van dergelijke "Pallywood" voorstellingen.
 
Door de enorme aandacht voor het conflict en de voortdurende vraag naar beelden is het risico dat beelden worden geënsceneert voortdurend aanwezig. Tijdens de tweede intifada werd een gevecht tussen Palestijnse demonstranten en het Israelische leger volledig verzonnen en in scene gezet. Ook worden beelden geregeld verkeerd geinterpreteerd, bewust dan wel onbewust, zoals bij het beeld van een Israelische politieman met een zwaaiende knuppel in zijn hand en een 'Palestijn' die bloedend op de grond ligt. Het onderschrift luidde: 'Israelische politieman en Palestijn op de Tempelberg'.
Kortenoeven:

"De eerste indruk, vanwege het bijschrift, is dat de met een knuppel zwaaiende „politieman‟ een Palestijnse demonstrant tot bloedens toe heeft mishandeld – en dat nog wel op de Tempelberg, de heiligste plaats van het Jodendom en de op twee na heiligste plaats van de islam – en dat er nog meer geweld aan zit te komen. De situatie werd kennelijk als zodanig geïnterpreteerd ten kantore van Associated Press en zonder controle door de klanten van dat persbureau overgenomen. Maar een redactie is bij plaatsing verantwoordelijk voor de inhoud van materiaal dat door derden is aangeleverd. Hoe de situatie echt was, kwam pas aan het licht nadat dr Aaron Grossman uit Chicago, de vader van het slachtoffer, de volgende brief aan de redactie van de New York Times gestuurd had:

"Regarding your picture on page A5 of the Israeli soldier and the Palestinian on the Temple Mount – that Palestinian is actually my son, Tuvia Grossman, a Jewish student from Chicago. He, and two of his friends, were pulled from their taxicab while traveling in Jerusalem, by a mob of Palestinian Arabs, and were severely beaten and stabbed. That picture could not have been taken on the Temple Mount because there are no gas stations on the Temple Mount and certainly none with Hebrew lettering, like the one clearly seen behind the Israeli soldier attempting to protect my son from the mob."

Even terug naar het artikel van Henri Beunders. Die schrijft: "Als een foto ons raakt, komt het vooral omdat we het getoonde graag willen zien. Zoals de Franse filosoof Bergson ooit schreef: „Het oog ziet alleen wat de geest bereid is te begrijpen‟." Dat mechanisme heeft de fotoredacteuren van Associated Press en van drie belangrijke kranten kennelijk parten gespeeld toen zij de foto beoordeelden „van een benzinepomp plus incident op de Tempelberg‟. "

http://www.cidi.nl/images/stories/mediaenoorlogkortenoeven2009.pdf (blz. 25/26)

RP

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen